LOPEND ONDERZOEK

Doctoraatsonderzoek Thomas Spittael (2012-2015)

The Translation, Cultural Mediation, and Reception in Britain of J.-J. Rousseau’s Discours sur les Sciences et les Arts, 1751-1779: A Study of Translational Poetics, Ideological Adaptation, and Print Cultural Appropriation.

Promotor: Sandro Jung

Copromotoren: Lieve Jooken en Guy Rooryck

Thomas Spittael werkt momenteel als doctoraal wetenschappelijk medewerker aan de Hogeschool Gent en de Universiteit Gent, waar hij respectievelijk verbonden is aan de onderzoeksgroep Cultuur en Vertaling en het Centre for the Study of Text and Print Culture (CSTPC). Zijn onderzoek is gericht op de vertaling en receptie van Jean-Jacques Rousseaus Discours sur les Sciences et les Arts in Groot-Brittannië (1751-1779) en omvat een analyse van de actoren betrokken bij de culturele bemiddeling, een discoursanalyse van de achttiende-eeuwse vertalingen en onderzoek naar de receptie en ‘print culture’. Met dit onderzoek beoogt hij een originele en interdisciplinaire bijdrage te leveren op het vlak van vertaling, receptie, cultuurtransfers en print culture.

English version: http://sandrojung.wix.com/cstpc#!__rousseau-project.



Doctoraatsonderzoek Roosje Dejonghe (2009-2015)


Promotoren: Dr. Ilse Logie (UGent) en Dr. Désirée Schyns (Hogent).

Roosje Dejonghe bereidt een proefschrift over de vertalingen van Albert Camus' L'Etranger in het Engels, Nederlands, Portugees en Spaans. Het onderzoek is
gericht op de culturele transfers in het vertaalproces en op de comparatieve en descriptief-interpretatieve analyse van de vertalingen.

 



Doctoraatsonderzoek Anneleen Spiessens (2008-2014)


Anneleen Spiessens bereidt een proefschrift voor met als werktitel ‘Violence de masse et fictions littéraires : transposition et traduction. De Barbusse à Littell’ onder promotorschap van Pierre Schoentjes (UGent) en Guy Rooryck (HoGent).

In het kader van dit onderzoeksproject bestudeert zij op welke manier – via welke formele en narratieve procédés – Franse schrijvers oorlogsherinneringen en persoonlijke ervaringen omzetten in een fictieverhaal. Het onderzoek vertrekt vanuit een afgebakend corpus. Er worden een viertal Franstalige romans behandeld die enkele belangrijke en gewelddadige 20e-eeuwse conflicten behandelen, te beginnen met Le Feu/Het vuur (Henri Barbusse) om af te sluiten met het recente en erg omstreden Les Bienveillantes/De Welwillenden (Jonathan Littell).

De studie heeft een dubbele focus en bestaat bijgevolg uit twee delen. In het eerste deel analyseren we de transpositie van persoonlijke (gewelddadige) ervaringen naar een geschreven verhaal, alsook de stilistische en ideologische effecten van het samengaan van getuigenis en literaire fictie.

Het tweede deel van het onderzoek is gewijd aan een analyse van de (Nederlandse) vertaling van de geselecteerde werken. We gaan na op welke wijze de aangehaalde formele elementen worden vertaald om gewelddadige scènes weer te geven in een fictioneel verhaal. Neemt de vertaler ook de narratieve en argumentatieve structuur van de brontekst over? Hoe positioneert hij zich tegenover de tekst en herpositioneert hij de verschillende gesprekspartners? Opnieuw onderzoeken we de receptie van de vertaalde werken en het heersende discours in de kritiek.

 


Doctoraatsonderzoek Els Biesemans (2008-2013)


De introductie van Scandinavische literatuur in Nederland en Vlaanderen (1860-1940)
Promotor: prof. dr. Godelieve Laureys


"In het laatste kwart van de 19e eeuw wordt het begrip Scandinavische letterkunde voor den ontwikkelden Europeeër iets werkelijks, een geestelijke macht, die meetelt"

Dat schreef de Deense literatuurcriticus Helge Topsøe-Jensen in 1926. Ook in het laatnegentiende-eeuwse Vlaanderen en Nederland was de groeiende belangstelling voor Scandinavische literatuur opvallend. Het aantal naar het Nederlands vertaalde Noordse literaire werken nam aanzienlijk toe, aan de universiteiten werden de eerste cursussen moderne Scandinavische taal- en letterkunde gedoceerd en in verschillende literaire tijdschriften werd de blik resoluut op het Noorden gericht.

De grote aandacht voor Scandinavische literatuur in Nederland en Vlaanderen was uiteraard niet uitsluitend afhankelijk van de intrinsieke literaire kwaliteiten van deze Scandinavische letteren. De recensenten, vertalers, universiteitsdocenten enz. hadden zeer verschillende motieven om zich met Scandinavische literatuur bezig te houden. Dit is merkbaar in de sterk uiteenlopende keuzes die zij maakten voor de te vertalen of te recenseren werken alsook in de verschillende klemtonen die zij legden. Het beeld dat in Nederland en Vlaanderen ontstond van de Scandinavische literatuur was hierdoor zeer diffuus en onderging bovendien grote veranderingen rond de eeuwwisseling. Deze evolutie in de receptie van Scandinavische literatuur in Nederland en Vlaanderen vormt de aanzet tot mijn onderzoek.

Het onderzoek vertrekt vanuit de groep van actoren die tussen 1860 en 1940 actief meewerkten aan de introductie van Scandinavische literatuur in Nederland en Vlaanderen. Het is de bedoeling om hun activiteit als literatuurbemiddelaars in een ruimere context te plaatsen en te bestuderen, niet alleen met oog voor hun onderlinge verhoudingen en hun relaties tot de literaire instituties, maar ook voor hun al dan niet gedeelde overtuigingen en sociale kenmerken. Deze prosopografie zal inzicht leveren in de positionering van de introducenten van Scandinavische literatuur in het Nederlandse en Vlaamse literaire veld in verschillende focusperiodes tussen 1860 en 1940.

Het onderzoek sluit aan bij recente projecten over transnationale receptie van literatuur van en in kleine taalgebieden. Naast de studie van de sociale kenmerken van de introducenten, worden hun activiteiten ook onderzocht in relatie tot uiteenlopende strekkingen en ideologieën zoals modernisme, feminisme, etnolinguïsme, pangermanisme en Katholicisme. Een contrastief Nederlands-Vlaams perspectief laat bovendien toe om de
verschillen binnen het Nederlandse taalgebied te belichten.

 


 

Doctoraatsonderzoek Flora Keersmaekers (2008-2013)


De schrijver als lezer: de poëtica in Vladimir Nabokovs 'lectures'

Mijn onderzoek beoogt een fundamentele bijdrage aan de studie van de poëtica van Vladimir
Nabokov op grond van diens "lectures on literature", een vierdelig werk dat de neerslag biedt van de colleges letterkunde die de schrijver tussen 1941 en 1959 aan de universiteiten van Wellesley en Cornell gaf. (Lectures on Literature, Lectures on Russian Literature, Lectures on Ulysses en Lectures on Don Quixote)) Het gaat om een aanzienlijke serie colleges over meesterwerken uit de Europese en de Russische romantraditie, waarin Nabokov zijn studenten niet alleen duidelijk wou maken wat de kracht van het literaire kunstwerk bepaalde, maar ook welke leesmethode ze dienden te hanteren om tot het juiste inzicht in die artistieke kracht te komen.

Via mijn analyse van deze colleges wil ik de studie van Nabokovs poëtica tegelijk verdiepen en bijsturen: ik wil namelijk aantonen dat zijn literatuuropvatting niet enkel gericht is op de voor zijn denken cruciale nexus tussen auteur en kunstwerk, zoals men doorgaans heeft aangegeven, maar wel degelijk ook plaats inruimt voor de creativiteit van de lezer. Ik wil nagaan hoe Nabokov die creativiteit specifiek conceptualiseert. Door de lezerspoëtica die hij in deze lectures ontwerpt te verbinden met een aantal contemporaine leesmethoden waarvan zijn denken duidelijke sporen bevat (Russisch Formalisme, New Criticism, de Chicago School), wil ik een beter zicht krijgen op de complexe literatuuropvattingen van deze belangrijke auteur en deze opvattingen tegelijk testen als fundament van een productieve leespedagogiek.



 

Doctoraatsonderzoek Lidia Rura (2007-2014)


Lidia Rura bereidt onder promotorschap van Thomas Langerak (UGent) en Piet Van Poucke (HoGent) een proefschrift voor dat wordt gefinancierd door het Onderzoeksfonds van HoGent. Het onderzoek is toegespitst op het oeuvre Aleksander Galič, een Russische dissidente dichter. Zijn werk behoort tot een speciaal genre uit de Sovjetperiode dat een heel efficiënt middel bleek te zijn om de censuur te omzeilen en het dissidente gedachtegoed onder het brede publiek te verspreiden. Toch is dit genre in tegenstelling tot andere werken van dissidente strekking vrijwel onbekend gebleven in het Westen en werd nauwelijks vertaald. Het onderzoek heeft als doel het werk van Galič te bestuderen met het oog op drie belangrijke aspecten: (i) de vorming van zijn standpunt als dissident, (ii) de hermeneutische analyse van zijn thematiek en de potentiële relevantie ervan voor zijn thuispubliek en voor de Westerse lezer (iii) het onderzoek naar het contrast tussen de enthousiaste receptie van hem als dissident en de moeilijke receptie van zijn werk in het Westen. De drie aspecten impliceren een historisch-biografisch onderzoek naar de wordingsgeschiedenis van een dissident, een literair-thematische studie door middel van de analyse van de prereceptieve fase en een vertaalhistorische en een vertaalkundige studie naar de postreceptieve fase en de analyse van de weinige bestaande vertalingen.



Doctoraatsonderzoek Sylvie Geerts (2007-2013)


In mijn onderzoek concentreer ik mij op Nederlandstalige hervertellingen voor jonge lezers van klassieke mythologie van 1970 tot heden als vorm van receptie van het klassieke. Dit project werd in september 2007 gestart en loopt over een periode van zes jaar, onder promotorschap van prof. dr. Kristoffel Demoen en dr. Bruno Vanobbergen.

De onderzoeksopzet vertrekt van de observatie dat binnen de in de Lage Landen gepubliceerde jeugdliteratuur hervertellingen van Griekse en Latijnse bronteksten een relatief grote plaats innemen ten opzichte van het steeds afnemende belang van ‘het klassieke’ in onderwijs, en bij uitbreiding cultuur. Opvallend is de hausse die vanaf de jaren ’90 kan worden waargenomen in de publicatie van jeugdbewerkingen van klassieke mythen en waarvan de Nederlandse Imme Dros (1936°) de spilfiguur kan worden genoemd.

Een tweede belangrijke impuls voor dit onderzoek is te situeren binnen het groeiende veld van de ‘Reception Studies’, waar toenemende aandacht is voor tot nog toe weinig onderzochte vormen van receptie, zoals de studie van populaire cultuur.

Aan de basis van de vraagstelling ligt de vanaf de jaren ’70 ontwikkelde theorie van het Reader Response Criticism door Robert Jauss en Wolfgang Iser. Het erkennen van de actieve deelname van de lezer in het proces van betekenisvorming heeft zowel de benadering van receptie van het klassieke, als de kritische omgang met jeugdliteratuur in belangrijke mate beïnvloed. Een van de basisuitgangspunten van de huidige Reception Studies is immers dat niet alleen een individuele tekst wordt gezien in relatie tot een brontekst, maar dat ook de bredere culturele processen die deze relatie tot stand brengen in rekening worden gebracht. Receptie wordt dus als een proces gezien dat in twee richtingen werkt, als een dialoog tussen heden en verleden. De inzichten van het Reader Response Criticism hebben er ook toe geleid dat het onderzoek naar jeugdliteratuur is geëvolueerd van de in de jaren ’70 dominante visie op de relatie tekst-lezer als een van eenvoudige identificatie tot een meer complexe visie waarbij teksten worden gezien in hun relatie tot bredere culturele, sociale en politieke processen.

Vanuit deze achtergrond stelt dit project zich tot doel hervertellingen van klassieke mythen voor jongeren te belichten vanuit een ideologie-kritisch perspectief. Daarbij wordt dus uitgegaan van de idee dat een bewerking als vorm van receptie ingaat op waardegeladen aspecten zoals bijvoorbeeld ras, gender en klasse die inherent zijn aan de brontekst in relatie tot/in dialoog met een geheel van waarden eigen aan de Westerse cultuur.

Centraal staat de vraag hoe bewerkingen van klassieke mythologie als artefacten de verschillende manieren kunnen zichtbaar maken waarop we de klassieken (re)construeren binnen een bepaald discours (i) over de klassieken (ii) over het kind (als ontvanger van de klassieken).

Wat de selectie van het primair bronmateriaal betreft, maakt een corpus over een periode van ongeveer 40 jaar het mogelijk tendensen en evoluties waar te nemen. De Nederlandstalige bewerkingen voor jongeren van klassieke mythen als specifieke vorm van receptie van het klassieke worden daartoe in eerste instantie geplaatst in een breder socio-historisch kader van de receptie van het klassieke in de lage landen, van de ontwikkeling van jeugdliteratuur en van de wisselende visies op ‘kind- zijn’ die deze beïnvloeden.

Om dit diachrone beeld van het corpus te vervolledigen, zal verder een ideologiekritische lezing van de hervertellingen worden uitgevoerd. Daartoe worden een aantal specifieke ideologische aspecten bepaald o.a. gender (feminisme en ‘masculinity’), ecokritiek en identiteit en wordt per aspect een brontekst als sleuteltekst geselecteerd die aan de hand van verschillende methodes (o.a. vertaalwetenschap, narratologie, reader response criticism) wordt onderzocht in relatie tot de brontekst en -cultuur en de context.

 



Doctoraatsonderzoek Štěpánka Kotrlá
(2007-2013)

 

GENDER, CULTURELE IDENTITEIT EN GLOBALISATIE: Het discours van Vlaamse en Tsjechische vrouwenbladen in dynamisch perspectief


Het doel van het onderzoek is na te gaan welke genderspecifieke elementen geïdentificeerd kunnen worden bij hedendaagse Vlaamse en Tsjechische media en hoe cultuurspecifiek ze zijn.

Het project richt zich naar de nationale vrouwenbladen: voor Vlaanderen is dat het weekblad Libelle en het maandblad evita en voor Tsjechië hun tegenhangers Vlasta en Puls. Bij de keuze van de tijdschriften was niet enkel het parallellisme belangrijk (doelpubliek, periodiciteit, en bestaansduur) maar ook de overkoepelende uitgeversmaatschappij. De vier vermelde tijdschriften worden immers alle uitgegeven door de Finse communicatiegroep SanomaWSOY, die de periodieken toelaat een nationale eigenheid te behouden.

Het empirische luik van het onderzoek houdt de vergelijking van vier vrouwentijdschriften in over een periode van een volledig jaar (2008). Daarnaast wordt het onderzoeksmateriaal geconfronteerd met de resultaten van een bijkomende historische steekproef bij de tijdschriften Libelle en Vlasta om de historische relativiteit van culturele identiteit scherp te stellen.

Als methodologisch referentiekader wordt geopteerd voor de Polysysteemtheorie (PST) van Itamar Even-Zohar. De culturele “repertoires” van de tijdschriften (bijv. de genderstereotiepen) zullen via geijkte methodes uit het vakgebied van de genderstudies worden beschreven, alsook via het onderzoek dat zich bevindt op het snijvlak van gender- en mediastudies.


 

 
AFGEWERKTE ONDERZOEKSPROJECTEN

Doctoraatsonderzoek Carl De Strycker (2007-2012)


project: Paul Celan en de Nederlandstalige literatuur
promotores: Prof.Dr. Bart Vervaeck en Prof. Dr. Dirk De Geest

Het Nederlandstalige literatuuronderzoek heeft zich veel te lang beperkt tot afgesloten domeinen (bijvoorbeeld de auteur als afgesloten onderzoeksobject, maar ook taalgrenzen werden nauwelijks overschreden). Dat wekt in veel onderzoek naar Nederlandstalige literatuur de suggestie van zelfstandigheid en zelfgenoegzaamheid. Geert Buelens merkte al op dat er 'wel meer literair historische werken in ons taalgebied [verschijnen] waarin nauwelijks aandacht is voor de impact van buitenlandse auteurs op Nederlandstalige schrijvers' (Buelens 2000, p. 37, mijn cursivering, cds) en ook Odile Heynders pleitte reeds meermaals voor het kaderen van het onderzoek naar de Nederlandstalige literatuur binnen een ruimer Europees perspectief. Dit onderzoek wil daartoe een bescheiden bijdrage
leveren door de relaties na te gaan die er bestaan tussen een van de belangrijkste Duitstalige dichters van na de Tweede Wereldoorlog, Paul Celan (1920-1970), en de Nederlandstalige literatuur.
Het onderzoek richt zich op de aanwezigheid van (het werk van) Paul Celan in de Nederlandstalige literatuur. Getracht wordt om zo de hedendaagse Nederlandse literatuur in een breder, Europees kader te beschouwen. Het over de grens kijken van een naburige literatuur(geschiedenis) plaatst teksten en oeuvres van Nederlandstalige auteurs in een breder perspectief en levert verrassende conclusies op met betrekking tot de Nederlandse literatuur(geschiedenis).
Uitgaande van intertekstualiteits- en invloedentheorieën (vooral Michael Riffaterre en Harold Bloom) wordt geprobeerd na te gaan hoe leven en werk van Celan in het Nederlandstalige veld functioneren. Het is de productieve receptie van Celan die hier centraal staat: hoe wordt zijn levensverhaal en zijn lyriek in de Lage Landen door auteurs gelezen en verwerkt?
Door een intertekstuele lectuur lichten niet enkel verwijzingen naar, allusies op en citaten uit het werk van de Duitstalige dichter op, maar wordt ook duidelijk welke rol Celan gespeeld heeft in de ontwikkeling van de Nederlandstalige dichters die het onderwerp van de studie vormen. Niet enkel op tekstueel vlak, maar ook op poëticaal gebied wordt de impact nagegaan. Dat alles moet de mogelijkheid bieden om conclusies te trekken over de rol van Paul Celan in en voor de Nederlandse letteren.
De studie is opgebouwd uit casestudies. Tot het corpus behoren voorlopig onder andere:
Leonard Nolens, Hans Tentije, C.O. Jellema, Stefan Hertmans, Peter Nijmeijer, Koen Stassijns, Peter Theunynck, Dirk van Bastelaere, Jan Lauwereyns, Jan Kuijper, Wiel Kusters, Louis Ferron, Arnon Grunberg, Boudewijn Büch, J. Bernlef en Thomas Graftdijk.


 

Doctoraatsonderzoek July De Wilde (2005-2010)


July De Wilde bereidt onder promotorschap van Ilse Logie (UGent), Pierre Schoentjes (UGent) en  Hildegard Vermeiren (Hogent) een proefschrift voor over de vertaling van ironie in literaire teksten. Het doel van het onderzoek is na te gaan hoe de (literaire) vertaler als een actieve agent vertaalkeuzes maakt als het gaat om het vertalen van ironische teksten, gekenmerkt door een polysemisch karakter en een hoge graad van interpretatieafhankelijkheid. Het interlinguaal (EN/FR/NL) contrastief onderzoek wordt verricht op een aantal “categorieën” en/of “instrumenten” van ironie (intertekstualiteit, stijlfiguren, vertelperspectief en -techniek) om te kijken hoe ironische passages worden vertaald en welke invloed bepaalde keuzes hebben op de interpretatie van de doeltekst. Concreet wordt er gewerkt met een corpus bestaande uit drie Spaans-Amerikaanse twintigste-eeuwse romans. In een eerste descriptieve fase wordt nagegaan hoe met de ironie wordt omgesprongen (integraal of gedeeltelijk behoud, creatie in de doeltekst, typeverandering) en of bepaalde vertaaltechnieken systematisch worden toegepast. Afhankelijk van deze conclusies wordt overgegaan tot een tweede fase waarin een aantal verklarende factoren worden onderzocht (relatie tussen vertaaltradities en systematisch gebruikte vertaaltechnieken, relatie tussen systematisch gebruikte vertaaltechnieken en ironisch effect).


 

Doctoraatsonderzoek Els Snick (2006-2011)


Els Snick
bereidt, onder promotorschap van Ton Naaijkens (Utrecht) en Petra Campe (Gent), een proefschrift voor over de receptie van de werken van de
Oostenrijkse schrijver Joseph Roth in Nederland en Vlaanderen van 1930 tot 2009.
Joseph Roth (1894-1939) heeft zeventig jaar na zijn dood een prominente plaats verworven in de internationale literaire canon: de romans Hiob en Radetzkymarsch staan als meesterwerken van de Europese literatuur bekend, zijn werk wordt wereldwijd (her)vertaald en (her)uitgegeven en zijn
excentrieke levensverhaal, dat verbonden is met het verhaal van de Duitse literaire emigratie van de jaren dertig, spreekt meer dan ooit tot de verbeelding van kunstenaars, critici en lezers.
In dit onderzoek wordt nagegaan hoe culturele bemiddelaars (uitgevers, vertalers, critici, kunstenaars, academici,…) er tijdens verschillende receptiefasen toe hebben bijgedragen dat in Nederland en Vlaanderen belangstelling voor Roths werk is blijven bestaan. Uitgevers maken bijvoorbeeld keuzes die beïnvloed zijn door de culturele, politieke en sociale context van het moment en door de netwerken waar ze deel van uitmaken. In archieven van uitgeverijen, kranten, en allerhande betrokkenen bij dit receptieproces, wordt gezocht naar sporen die de aandacht voor Roths werk in Nederland en Vlaanderen kunnen verklaren. Dat Roth tijdens de jaren dertig langere periodes in België en Nederland heeft doorgebracht en met de belangrijkste actoren uit het Nederlandstalige literaire veld contact heeft gehad, geeft een extra dimensie aan dit verhaal.


Doctoraatsonderzoek Katja De Herdt (1999-2003)


Promotor: G. De Boel
Co-promotor: K. Demoen

"Je crains que vous ne me trouviez trop moderne pour un Grec"

Over Griekse vertalingen van Oudgriekse teksten, ca. 1860-1910.


 

Doctoraatsonderzoek Luc Van Doorslaer ( -2002)

 
Promotor: Y. T’Sjoen

Anlage : Korpus der Ubersetzungsbeispiele Buysses Novellen